menu

Joris en de draak

Naar de Legenda aurea  

De Zonnejaargroep 

Joris werd geboren uit een Capadoctisch geslacht. Eens kwam hij in het land Lybia, in de stad Silena…

De bewoners van deze stad verkeerden in grote nood. Vlak bij deze stad was een meer, wel zo groot als een zee, waarin een giftige draak woonde. Telkens wanneer de draak honger had kwam hij uit het meer tot voor de muren van de stad en blies zijn giftige adem over de mensen en de dieren zodat zij ervan stierven.

Vaak waren de inwoners van de stad gewapenderhand tegen hem opgetrokken, maar elke keer weer werden ze door hem op de vlucht gedreven. Dan vervolgde hij hen en verwoestte het land. Zo wisten de arme burgers geen ander middel dan hem dagelijks twee schapen te geven. Zolang hij die kreeg hield hij zich stil.

Maar na enige tijd werden de schaapskudden daardoor zo klein, dat er besloten werd elke dag één schaap en één inwoner van de stad te offeren. Elke dag werd er onder de inwoners om geloot wie aan de draak ten prooi zou vallen. Op een dag viel het lot op de koningsdochter. De koning verzonk in dipe neerslachtigheid; hij klaagde en zei tot het volk: "Neem mijn bezit, mijn goud en zilver, of mijn halve koninkrijk, maar laat mij mijn enige kind behouden, laat haar niet verslinden door de verschrikkelijke draak."

Het volk ontstak toen in woede en riep: "De meeste van onze dochters en zonen zijn al omgekomen, en jij wilt je dochter niet geven?" Daarmee breek je de wet, die je zelf hebt uitgevaardigd. Wanneer je je dochter niet geeft, zullen we jou en je hele huis verbranden."

Toen de koning zag dat ze het meenden, begon hij te weeklagen tegen de prinses en riep: "Ach mijn kind wat moet ik doen. Wee mij, ik ongelukkige vader, mijn enige kind moet sterven!" Hij trad voor het volk en vroeg: "Geef mij nog acht dagen uitstel dat ik van haar afscheid kan nemen." dat stonden ze hem toe. Op de achtste dag echter liep het hele volk te hoop voor zijn kasteel en riep in grote toorn: "Waarom laat je het land verwoesten ter wille van je dochter? Zo moeten wij allen sterven onder de giftige adem van de draak."

Toen besefte de koning dat hij haar niet kon redden. Hij liet zijn dienaren koninklijke kleren en sieraden halen en kleedde haar als een vorstin. Hij omarmde haar en sprak: "O mijn dochter, ik had gehoopt dat je kinderen zou krijgen, die eens op mijn troon zouden zitten. Ook had ik gehoopt je bruiloft te mogen vieren, waarop je met een edel ridder zou trouwen. Muziek zou in ons paleis geklonken hebben en alle vorsten uit de omringende landen zouden aan onze tafel hebben gezeten. Nu ga je heen om door de draak te worden verslonden." Hij kuste haar tot afscheid en zei: "Ach, beter zou ik voor jou gestorven zijn." Zij echter boog haar hoofd, knielde voor de voeten van haar vader neer en vroeg om zijn zegen. Zo zegende hij haar en zij ging heen.

Op de plaats waar ze de draak verwachtte ging ze staan, aan de oever van het meer waaruit hij te voorschijn zou komen. Terwijl ze daar stond en de mensen op de stadmuur met angst de komst van de draak afwachtten, kwam over het veld ridder Joris aanrijden. Hij reed op een wit paard en zijn harnas blonk in het licht. Hij reed op haar toe en vroeg waarom ze daar stond. "Heer", ze ze, "vraag daar niet naar, maar bestijg je paard en vlucht, opdat je niet ook je leven verliest."

De ridder zei: "Heb geen angst dochter, maar zeg me waar je hier onder de ogen van het hele volk op wacht." Zij antwoordde: "Heer, ik zie dat je een goed hart hebt, maar je wilt toch niet met mij sterven? Vlucht zo snel je kunt." "Ik ga hier niet vandaan", zei Joris, "voor je me zegt waarom je hier staat en weent."

Toen vertelde ze hem alles - over de draak, over de jarenlange strijd, over de offers en over zichzelf, dat ze nu sterven moest. Hij echter zei: "Lieve prinses, heb geen angst. Ik ben Joris, een strijder tegen het kwade, ik zal je bijstaan in Christus' naam." Zij antwoordde: "Goede ridder, je kunt dat niet. Geen mens kan de draak overwinnen, waarom zou ne met mij sterven?"

Terwijl ze nog met elkaar spraken begon het meer te kolken en te bruisen en de afschuwelijke kop van de draak kwam uit het water te voorschijn. Toen Joris hem zag sprong hij op zijn paard en maakte zich voor de strijd gereed. De draak kwam blazend van woede op hem af. Joris maakt het teken van het kruis, greep zijn lans, riep Gods hulp in en gaf zijn paard de sporen.

De jonkvrouw en het volk op de stadsmuren zagen hoe Joris dapper streed met de draak en hem tenslotte met zijn lans zo zwaar verwondde dat hij neerstortte op de oever. Joris wendde zich tot de prinses en zei: "Neem nu je gordel en doe hem de draak om de nek als een leidsel en heb geen angst." Zij deed het en de draak volgde haar gedwee.

Zo liepen Joris en de prinses met de draak naar de stad en gingen door de stadspoort naar binnen. Toen zij de draak naar de stad leidde schrokken de mensen zo, dat zij naar de bergen vluchtten. Zij riepen: "Wee ons, nu zijn wij allemaal verloren". Joris echter wenkte hen terug te komen. Hij riep: "Overwin uw angst, God de Heer heeft mij gezonden om u van de draak te verlosen. Bekeer u tot het Christendom!"

De koning gaf als eerste gehoor aan deze oproep en spoedig volgde zijn gehele volk hem na. De koning wilde Joris onmetelijke rijkdommen schenken. Hij nam ze niet aan en liet ze onder de armen verdelen.

Joris groette de koning en zijn volgelingen en trok verder.

© Het Zonnejaar 1980 - 2024