Pasen - Hemelvaart - Pinksteren

De natuur

Christja Mees-Henny

In heel veel om ons heen beleven we het beeld van de dood.
We vinden het in de verstarring van het zielenleven dat tot criminaliteit leidt. We komen het tegen in het gevoel van zinloosheid van het leven, wat de werklust en de interesse in de wereld verzwakt.

En we zien het in de ziekten, zoals aids en kanker, die hun verwoestingen in het lichaam aanrichten. Het zijn de aanvallen van de dood op het gebied van de ziel, van het leven en van het lichaam. Zal de mens ten onder gaan in deze wereld van ziekte en dood? - in deze neergaande cultuur?

Wie zich echter bezig heeft gehouden met geesteswetenschap, fenomenologie en de leer van de Rozenkruisers, kan tot het inzicht komen dat er redding mogelijk is door de natuur. Omdat wij als mens naar Gods beeld geschapen zijn, zijn wij bedoeld als de kroon op Gods schepping en dragen wij alles in ons wat de natuur om ons heen ons toont.

Als wij in de winter de aarde voelen en zien, hard, verstard, het water gekristalliseerd tot ijs, de takken van de bomen dor en kaal, dan beleven we daarin onze eigen dood, ons eigen graf. Maar de natuur kan ons ook de krachten tonen die leiden tot een opstanding uit de dood, krachten die ook wij in ons hebben.

Als de lente komt en de lucht warmer wordt, dan ontdooien de beken en rivieren, het water gaat weer stromen, de sappen gaan stijgen in de planten en de aarde gaat weer geuren naar kruidig leven. De warmte brengt water en lucht in beweging in een scheppend spel. Het water begint zijn hemelvaart en de grote witte cumuluswolken vormen zich als beeld van het huwelijk tussen hemel en aarde.

Vanuit onszelf gezien kunnen we de aarde vergelijken met ons lichaam, het water met het leven, de bewegende lucht met onze ziel. De warmte van onze eigen geestkracht, de vuurkracht van onze eigen geest, is echter in liefde en enthousiasme in staat ook ons eigen leven en ziel te verlossen uit hun gevangenschap in de materie.

Door innerlijke warmte voelen wij ons licht en blij worden en kunnen we beginnen boven onszelf uit te stijgen, net zoals we dat in de natuur de leeuwerik zien doen, hoger en hoger, een feest van hoge vlucht. Aan de wolken en de vogels zien we ons eigen vermogen tot stijgen.

Hoe komt het dat vogels zo tegen hun eigen zwaarte in kunnen stijgen? De mensen hebben beenmerg in hun botten; de beenderen van vogels zijn echter hol, ze zijn gevuld met lucht. De lichaamswarmte van de vogels verwarmt de lucht in hun beenderen tot een temperatuur die hoger is dan die van de lucht en daardoor hebben de vogels het vermogen om op te stijgen.

Waarom stijgt het vogellied uit de vogelkelen op als het nog donker is? Omdat de vogels door hun zeer dunne vogelschedel nog heel doorlaatbaar zijn voor de invloed van de zon, en de zonnekracht al voelen nog vóór de zon opgaat. De kracht van de zon, waarmee alle levende wezens verwant zijn, doet hen zingen.

De vlinder is het beeld van ziel en geest die uit de dode materie zijn verlost en nu kunnen opstijgen naar de zon.
Elisabeth Kübler Ross, de Zwitserse psychiater die bekendheid kreeg door haar inzet waarmee zij het taboe doorbrak, dat tot het midden van de vorige eeuw op het thema 'sterven' rustte, geeft het beeld van de vlinder om de metamorfose aan te tonen die het leven na de dood ondergaat.

Rudolf Steiner heeft vele malen over het veranderingsproces: ei - rups - cocon -vlinder gesproken, en wij willen dit beeld uit de natuur ook gebruiken, omdat het een beeld is van een innerlijk veranderingsproces van de ziel, die zich beweegt en zich metamorfoseert door het inleven en beleven- van het Kerst-, Paas-, Hemelvaart- en Pinkstergebeuren.

Een rups kruipt uit een vlinder-ei. Vergeleken met de mens zouden we kunnen zeggen: Uit God zijn wij geboren, ex Deo nascimur.

De rups begint vervolgens alles te eten wat hem aan voedsel voor de voeten komt. De rups is een echt aan de aarde gebonden dier, maar zoals alle levende wezens, streeft het levenslichaam naar de zon, het wil terug naar de oerbron, terug naar de oorsprong. Een insect vliegt altijd naar het licht, naar de zon, en binnen als het donker is naar het licht van de vlam, of zelfs in de vlam..

De rups wil wel naar de zon vliegen, maar hij kan het niet. Omdat hij zich echter toch met de zon wil verbinden, probeert hij zich van de aarde af te sluiten door draden om zich heen te spinnen. De rups richt zijn voorlijf op en spint uit de openingen in zijn kop twee draden, steeds in de richting van het licht.

Het zijn eigenlijk lichtdraden die hij spint, zonnedraden. Hij spint ook alleen overdag; 's nachts rolt hij de draden in een lemniscaatvorm op tot een cocon. Hij spint zich helemaal in een lemniscaat in. De rups spint een draad van aarde materie die door het licht is opgenomen, en dan sterft hij tenslotte in het licht, hij lost zich in het licht op.

En hoe sterft een mens? In het licht! In Christo morimur: in Christus sterven wij. Als een mens sterft, leidt Christus hem naar het rijk van de oerbeelden, naar de Vader wereld, waar Hij zelf vandaan komt, naar de wereld van de zon.

Voor een stervende wordt al het materiële tot beeld, tot imaginatie. Een stervende mens spint zichzelf langs een lichtdraad van beelden een weg naar de geestelijke wereld, een weg uit de materie omhoog.

In het geval van de cocon is het de kracht van de zon die erin gevangen zit, die de vlinder kan maken. In het geval van de mens is het de kracht van Christus die het menselijk bewustzijn in een metamorfose brengt, de kracht van Christus die het leven in de dood voert en de mens met de geest verbindt: Per Spiritum Sanctum reviviscimus. Christus leidt de opstanding van het denken.

De vlinder is een zonneschepsel, zij neemt van al het aardse slechts het fijnste tot zich en voert dit tot volledige vergeestelijking.

Christus leert aan de apostelen dat de mensen dat ook weer moeten leren. Met de Hemelvaart slaat Hij een brug tussen microkosmos en macrokosmos. Doordat Christus zich door het Mysterie van Golgotha met de aarde verbonden heeft, geeft Hij de mogelijkheid aan de mensen naar de zon, naar de wereld van de oerbeelden op te stijgen, zonder echter de verbinding met de aarde te verliezen. Hij leert het denken te vergeestelijken.

In de veertig dagen tussen Pasen en Hemelvaart leert Christus aan de apostelen, dat de Hemelvaart met de dood in een mensenleven te vergelijken is, en dat het opstijgen naar de wereld van de Vader (sterren), naar de wereld van de Zoon (zon) en naar de wereld van de Geest (maan), voor iedere mensenziel in de toekomst, ook tijdens het leven mogelijk is. Dit wordt dan de inwijding genoemd. 'Alles Vergängliche ist nur ein Gleichniss'. De mens moet weer lichtgedachten leren spinnen.

R. Steiner zegt in de voordracht 'Das Ich und die Schmetterlingwelt': “De vlinder heeft het ik buiten zich, terwijl de mens het ik in zich heeft”. Zouden de woorden van Paulus: 'Niet ik, maar de Christus in mij' niet het beeld van de vlinder benaderen, die de vreugde in het eeuwige leven in Christus uitdrukt met het fladderen van haar kleurige vleugels, terwijl zij luistert naar de stem van de grote kosmos, die haar van bloem naar bloem brengt?

Misschien moeten wij mensen weer, net als de vlinder, leren luisteren naar wat de krachten uit de kosmos en ons karma ons te zeggen hebben, opdat wij op het juiste moment en op de juiste plaats het juiste kunnen doen.

Door de Hemelvaart wordt Christus 'de Heer der hemelkrachten op aarde'.
Heeft ieder dat bewustzijn ontwikkeld, heeft ieder zo'n hemelse vlinder op de hand, dan kunnen we allen samen die vlindervreugde beleven en het Pinksterfeest ervaren, op een nieuwe manier in broederschap aan de aarde werken en de ziel, het leven en het lichaam redden en weer gezond maken.

Dat kunnen we als we naar de woorden van Jezus luisteren en Hem dienen.

Hij sprak: “Ik ben de opstanding en het leven,
Wie in mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft.”

* 'Der Jahreskreislauf als Einweihungsweg zum Erleben der
Christuswesenheit’, S. Prokofieff.

uit het boekje Pasen, Hemelvaart, Pinksteren

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista