Sint Jan Spel - De Zevensprong

Christja Mees-Henny

Op het Sint Jansfeest wordt er gedanst en gezongen en worden er spelletjes gedaan. Door het zingen en spelen een structuur te geven kunnen we ons op een vrolijke manier met de diepe betekenis van het Johannesfeest verbinden.

Zo dansen we de oude overbekende Zevensprong, maar door een compositie van 7 toegevoegde spelvariaties kan zij nieuw beleefd worden.

De Zevensprong is een heel oude sacrale dans. Een dans van in- en uitwikkelen, van einde en van een nieuw begin. We kunnen er bijvoorbeeld. de 7 ontwikkelingsfasen van de mens mee uitbeelden Iets wat Johannes ons heeft voorgeleefd: “Verandert uwen zin”.

Johannes als de grootste onder de mensen, en de kleinste onder de engelen vormde als 1ste mens een 10de hierarchie.

We beginnen met onze verbondenheid met de vier elementen te beleven, om vervolgens te proberen drie menselijke hogere vermogens beleefbaar te maken. 4+3=7.

De spelregels:

We lopen in een kring rond, elkaars handen vasthoudend en zingen:

"Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Verder huppelend:
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman: dat is één...
Na iedere herhaling van dit lied komt er een tel/gebaar bij
...dat is één, dat is twee,
...dat is één, dat is twee, dat is drie,
...dat is één,..., dat is zeven!"

De dans wordt dus zeven maal herhaald en steeds afgesloten met een gebaar waardoor we ons over zeven sprongen heen in elkaar rollen om vervolgens weer op te springen en na elke sprong en op zeven verschillende manieren door spel, dans, gedicht of zang, een ontwikkelingsaspect uit beelden.

Gebaren 1, 2, 3, 4, 5, 6, en 7

1. ’Dat is één

Na het lopen en huppelen in de kring, en zingen van het lied, gaan we met het gezicht naar het midden van de kring staan en plaatsen we allemaal het linker been naar voren: dat is één.

Bij de eerste sprong verbinden we ons met de Aarde, de materie, een schaal die ontvangt en leven voortbrengt. Daarna:

Doen: We graven in de aarde een kleine kuil die we samen van binnen bekleden met een laagje klei zodat er een schaal gevormd wordt. We zingen of zeggen met een aardespreuk of lied onze dank en eerbied voor de aarde.

2. Dan opnieuw 'De Zevensprong' zingen en rondlopen : 'Heb je wel gehoord …Dat is één, dat is twee’

Na het linker been vooruit, zetten we het rechter been ernaast.

Bij de tweede sprong verbinden we ons met het Water (etherwereld), met het vloeibare stromende bewegelijke water. Water is onzelfzuchtig, het neemt de vorm van de omgeving aan, het levenswater is drager van levenskrachten.

Doen: We scheppen water met onze beide handen ergens uit een bron of reservoir en brengen het in spiraalvorm lopend naar het kuiltje in de aarde en vullen de aardeschaal met water. We zingen daarbij bijvoorbeeld: ‘Twee emmertjes water halen’, of een ander lied over het water.

3. Opnieuw 'De Zevensprong' zingen en rondlopen : 'Heb je wel gehoord …Dat is één, dat is twee, dat is drie’

We plaatsen het linker been naar voren, het rechter been ernaast, en de linker knie op de grond. En we komen weer overeind.

Bij de derde sprong verbinden we ons met het luchtelement, de astrale wereld. We stijgen in onze verbeelding op door de warmte en proberen ons zo vluchtig te voelen als wolken en vogels. Ook de tonen van ons lied worden door de lucht voortgedragen.

Doen: We blazen bellen en zingen een lied over wolken en vogels.

4. ‘…Dat is vier’.

We herhalen alle voorgaande bewegingen en plaatsen nu ook de rechter knie op de grond. En we komen weer overeind.

Bij de vierde sprong verbinden we ons met het Vuur, de warmte van het IK, door het beleven van één te zijn met de natuur en de omgeving. (Als we elkaar immers een hand geven kunnen we elkaars warmte voelen en ervaren.)

Doen: In ons enthousiasme kunnen we ons Ik beleven . We kunnen enthousiast worden door iets wat we horen of voor iets wat we uitbeelden of improviseren. We kunnen bijvoorbeeld improviseren op het Keltische gezang ’IK ben’, en ons oefenen in het inleven in de dingen en de schepselen van deze wereld.

Toelichting

‘Ik ben’ betekent in het Hebreeuws: Javeh = God

De Joodse naam van God was onuitsprekelijk.

Het betekende datgene wat nu door het woord ‘Ik’ wordt aangeduid. De onbekende God.

Mozes (oude testament) beleefde dit ‘Ik’ nog buiten hem in het ‘Ik Ben de ik Ben’, het brandende braambos.

Door de verbinding van Christus met de aarde (nieuwe testament), sinds het mysterie op Golgotha, trekt dit kosmische Ik als ‘Christus Ik’ ook in het kleine ik van de mens, met name in het bloed, en verbindt zo alle mensen die van goede wil zijn met de woorden: “Niet Ik maar Christus in mij”…Christus spreekt: “IK ben de Weg, de Waarheid en het Leven”.

In het gezang van de bard Taliesin ( een leerling van Merlijn) zingt de Keltische natuurgeest en getuigt van de gave zich in de dingen en schepselen van de wereld in te kunnen leven. De oorsprong van dit lied moet al heel oud zijn. Er zijn nog geen Christelijke elementen in doorgedrongen. Het bijzondere van de oude Ierse cultuur was dat de oude mythische Goden en helden liederen bleven voortbestaan in de tijd na Christus en dat oude overleveringen werden verrijkt door Christelijke teksten.

Het ‘Ik’ in het bloed omvat de drie kiemen van het vergeestelijkte hogere mensenwezen: Manas, Budhi, Atma, of, Geestzelf, Levensgeest en Geestmens. In de 5de, 6de, en 7de sprong van de Zevensprong kunnen we deze drie toekomstkiemen op de volgende manier proberen te beleven en uit te beelden.

5. ‘…Dat is vijf!’ (geestzelf)

Alle voorgaande bewegingen nog eens, en nu ook de linker elleboog op de grond. En we komen weer overeind.

Bij de vijfde sprong verbinden we ons met het Geestzelf. Wat is het Geestzelf? Het kosmische Ik leeft nu buiten én binnen in ons. Het uiterlijke vuur (warmte) moet innerlijk warmtevuur worden, maar in deemoed, en in dankbaarheid gehanteerd.

Toelichting
De mens moet door een 0 punt gaan, van groot - klein worden. (“Ik moet afnemen” zegt Johannes) Het ik gaat door een brandpunt. Door de doop, onderdompeling in het water, of door een bijna doodervaring gaat de mens door een sterfproces, zijn ziel wordt groot en wijd en de herinneringsbeelden uit zijn leven (afdrukken van zijn etherlichaam) breiden zich om hem heen uit. Hij komt in de gebieden waar in hij anders slaapt, hij treedt uit en wordt in deze toestand geconfronteerd met daden uit zijn leven. Door het ontwaken van een nieuw innerlijk IK (de Geestzelf – ‘Hij moet groeien’) kan dit Ik, ook wel de nieuwe Adam genoemd, tot nieuwe inzichten komen voor een vernieuwd verantwoordelijk bewustzijn t.o.v. de omgeving en de medemens. De mens kan tot het ervaren van een innerlijke Zon komen vanuit het hart en de liefde.

Doen: Met een brandglas brengen we de grootsheid van de kosmische zonnewarmte door een 0 punt. (op de huid als een gloeiende punt gevoeld) We steken daarmee een papiertje aan, en daarmee een drijfkaars en leggen dan dit licht op het water in de aardeschaal. Schijnt de zon niet fel genoeg dan moet het brandglas toch door een lucifer vervangen worden.

Vervolgens spreken we het Zonnelied van Franciscus.

6. ‘…Dat is zes’ (levensgeest)

Beweging 1, 2, 3, 4, 5, en hierna de rechter elleboog op de grond plaatsen.

Met de zesde sprong beleven we de Levensgeest door het dragen, door geven en delen van energie en levenskrachten.

Zonne-energie en -warmte zijn in het hout opgeslagen. Daarom geven we stukjes brandhout aan elkaar door. Hout is verstarde groeikracht. Vuur en warmte komen uit het hout vrij wanneer wij het aansteken. Als hout van hand tot hand gaat springt de creatieve levensgeest over.

Doen: We geven houtspaanders aan elkaar door in een spiraalvormige naar binnen gekeerde beweging. Op kleine afstand van de schaal met water en drijfkaars, stapelen we het hout tot een brandstapeltje en zingen daarbij bijvoorbeeld:

7. ‘…Dat is zeven!’ (geestmens)

Na alle voorgaande bewegingen leggen we het hoofd op de grond en rollen ons zo helemaal op.

Bij de zevende sprong beleven we de Geestmens doordat allen hout geofferd en bijeengebracht hebben. Ieder steekt het hout op het brandstapeltje aan met het zelf uit de kosmos gehaalde vuur (schijnt de zon niet fel genoeg dan moet het brandglas toch door een lucifer vervangen worden.) Het vuur dat ontvlamt, is het vuur waar omheen wij gaan dansen, niet in extase maar in zelfbewuste vreugde over het uiterlijke en het innerlijke vuur waardoor de aarde en wij zelf gelouterd kunnen worden.

Doen: We steken dus het vuur aan en lopen samen een lemniscaat (handen los) rond het middelpunt, tussen het water (schaal) en het vuur.

We zingen nog eens ‘Heb je wel gehoord van de zeven de zeven…’, en eindigen met

‘…dat is 8! ’ , en springen dan met de armen gespreid een gat in de lucht! Daarna dansen en zingen we verder in een kring om water en vuur heen en zingen:

We sluiten het spel af met een traktatie van kersen en vlierbloesemkoekjes.

Variaties op de zevenheid zijn natuurlijk ook mogelijk, bijvoorbeeld:

  • Dans de dagen van de week ( wat doe je op die dagen?)
  • Dans de 7 planeten: Zon, Maan, Mars, Mercurius, Jupiter, Venus , Saturnus (met euritmiegebaren).
  • Dans de leeftijden: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 (ontwikkelingsfasen)
  • Dans de 7 leeftijdsfasen: 7, 14, 21, 28, 35, 42, 49 (biografische momenten)
  • Dans de 7 jaarfeesten: Michael, Kerstmis, Epifanie, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, Sint Jan.

Het spel is bedoeld voor jong en oud om samen te spelen en te beleven, zeker niet om aan kinderen uit te leggen. Riten en symbolen worden onbewust in het etherlichaam (lichaam van levenskrachten) opgenomen en werken daar vormend aan de ziel tot in de toekomst ook al is de betekenis niet bewust.

De ideeën over dit spel zijn ontstaan door intensieve samenwerking binnen de Zonnejaargroep. Dit was een heel creatief proces. Het spel is met veel vreugde en plezier uitgevoerd door de cursisten.

Wij hopen dat het meer mensen kan inspireren.

Christja Mees

uit het boekje Sint Jan

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista