Het meisje met haar lantarentje

Er was eens een meisje en zij droeg haar lichtende lantarentje. Zij was er heel blij mee en zong:

“Ik loop met mijn lantaren, lantaren loopt met mij.
Daarboven stralen de sterren, beneden stralen wij…”

Toen kwam de wind en die suisde en waaide en blies in een keer het lichtje uit. En daar stond ze in het donker, maar wat hoorde zij daar in het gras?

“Wat ritselt er in het loof?
Wat trappelt daar in het gras?
Wie schuift er snel?
Wie is die gezel?”

Het is een egeltje.

“Ach lief egeltje, de wind heeft mijn lichtje uitgeblazen. Kun jij mijn lichtje weer aansteken?”

“Ik kan het niet, ik kan het niet. Kijk maar of je een ander ziet! Ik loop nu snel voorbij.”

En weg was het egeltje.

“Wat brummelt en brommelt daar keer op keer?
Jazeker, het is Bruin de beer.”

“Ach lieve beer, de wind heeft mijn lichtje uitgeblazen. Kun jij mijn lichtje weer aansteken?”

Bruin de beer schudt met zijn kop:

“Hou maar op, hou maar op. Ik ben moe en wil naar huis weerom, ik wil rusten brom, brom, brom…”

En daar verdwijnt de beer weer in het bos.

“Wie ritselt daar zachtje, wie sluipt door het bos?”

Het is de slimme, sluwe vos. Hij snuffelt met zijn neus:

“Wat doe je hier in het woud?
Ga vlug naar huis, het wordt al koud!”

En weg is de vos. Het meisje wordt heel verdrietig, niemand kan haar horen. En ze gaat op een steen zitten huilen…

Dat horen de sterren en die zeggen:

“Ga naar Moeder Zon, zij zal je helpen.”

Dat geeft het meisje nieuwe moed en zij gaat op zoek naar Moeder Zon. Zij komt bij een huisje. De deur staat open en binnen zit een meisje te spinnen. Het spinnewiel snort.

“Lieve vrouw, weet u de weg naar de zon en wilt u meegaan?”

“Ik moet vlijtig draaien mijn draadje, spinne, spinne mijn fijne draadje. Rust maar even hier binnen, voor je aan de lange weg gaat beginnen.”

Als het meisje is uitgerust neemt ze haar lantarentje en loopt verder door het bos, maar ziet de zon niet. Daar is een huisje en zij gaat het huisje binnen.
Daar zit de schoenmaker:

“Ach lieve schoenmaker, weet u de weg naar de zon en wilt u met mij meegaan?”

“Ik moet vlijtig prikken mijn draadje… stikken, stikken nu mijn naadje. Rust maar even uit hierbinnen voordat je je tocht gaat beginnen.”

En als het meisje is uitgerust gaat zij verder. Daar ziet ze een hoge berg en denkt: daar boven zal de zon wel wonen. En als een reetje zo vlug loopt zij naar boven. Daar is een kindje dat met een bal speelt.

“Ga je mee naar Moeder Zon?”

Maar het kindje wil liever met haar bal spelen. Dus gaat het meisje alleen verder. Maar daarboven vindt zij de zon ook niet.

“Ik zal wachten tot de zon komt” zegt zij en gaat op de aarde zitten. Zij is zo moe dat zij in slaap valt. Moeder Zon heeft haar allang gezien. En als de avond valt buigt zij zich over het meisje heen en steekt haar lantarentje weer aan. Het meisje wordt wakker.

“Mijn lantarentje brandt weer”,roept zij uit. En vrolijk huppelt zij naar beneden. Daar ontmoet zij het kind weer. Het meisje is nu niet vrolijk meer en huilt.

“Wat is er aan de hand?”, vraagt het meisje.

“Ik ben mijn bal kwijt geraakt en kan hem nergens vinden.”

“Ik zal je bijlichten, dan vinden we hem wel weer.”

En daar schijnt het lichtje van de lantaren op de bal. Vrolijk en dankbaar huppelt het kind met de bal naar huis. Dan komt het meisje met haar lantarentje bij het huisje van de schoenmaker en denkt: “Ik zal de schoenmaker laten zien dat mijn lantarentje weer brandt.”

De schoenmaker is heel treurig. Zijn vuurtje is uitgegaan en zijn handen zijn koud.

“Nu kan ik geen schoenen meer lappen.”

“Dan zal ik het vuurtje weer aansteken met mijn lichtje.”

Even later brandt het vuurtje en zijn de handen van de schoenmaker weer warm en kan hij weer verder werken. Het meisje gaat weer vrolijk verder. Als zij bij het huisje van het vrouwtje komt is het daar donker.

“Ach, mijn licht is uitgegaan, ik kan niets meer zien.”

“Ik zal proberen uw licht met mijn lichtje aan te steken.”

Even later brandt het licht weer in het huisje en kan het vrouwtje weer tevreden verder spinnen.

Het meisje gaat door op weg naar huis. Als zij door het bos komt en door het veld loopt, worden de dieren wakker van het heldere licht. Eerst komt de vos er op af. Hij snuffelt en knipoogt tegen het licht. Ook Bruin de beer komt aangebromd en het egeltje trippelt nieuwsgierig om haar heen.

“Wat is dat voor een glimworm?” vraagt hij. Het meisje loopt alleen verder met haar lantarentje en de dieren lopen achter haar aan. Heel zachtjes zingt zij

“Als het zonlicht gaat verdwijnen,
dan gaat mijn lichtje schijnen.
Mijn licht doordringt de donkere nacht,
O lampje, schijn en houd de wacht.”

 

uit het boekje Sint Maarten

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista