menu

Het Sint Maartensfeest in de tijd van het jaar

Fusien van den Ent 

D Udo de Haes

Dit lied vertelt al waar dit artikel over gaat: de ontwikkelingsweg die het jaar ons biedt in de tijd vanaf de zomer naar midwinter, van Sint Jan via het Michaelsfeest, Allerheiligen en Allerzielen, Sint Maarten, Advent en Sinterklaas naar het Kerstfeest.

Als wij het jaarverloop in de seizoenen en jaarfeesten bewust beleven, wordt het een bron voor ons innerlijk leven, voor onze ziel. Een bron van vreugde, van kracht om te blijven volhouden en van inspiratie, motivatie voor innerlijke ontwikkeling. Juist omdat het ieder jaar terugkomt en je er telkens weer mee om kan gaan op een manier die dán bij je past.

In de zomervakantie keken we terug naar ons afgelopen werkjaar, herinnerden we ons met welke idealen we ons werk willen doen en maakten plannen voor na de vakantie. Thuisgekomen, weer aan het werk, stuitten we op alle mogelijke weerstanden die bij een incarnatieproces horen, ze horen bij het bestaan op aarde.

In de zomer zijn we niet helemaal op aarde. We genieten, we zijn zo open voor de warmte, voor het licht, voor al het leven en we worden gedragen door de warmte, door moeder natuur en verbonden met de kosmos.

Maar dan daalt de zon, wordt het koud, guur en nat… al het groeiende en bloeiende verwelkt, sterft af. Wij willen niet meeverwelken en stellen tegenover die verwelkingstendens onze eigen kracht – sterk en taai als ijzer. Daarbij worden we gedragen door de zomerzonnekracht die we ontvingen en die ons helpt in onszelf die ‘ijzerkracht’ te vinden.

In de donkere tijd van het jaar, als de aardesfeer (zwaar en donker) sterker is dan de zomersfeer (licht en warm), kan de mens licht in het duister brengen en zwaarte ‘optillen’. Als de zon op onze kant van de aarde zwakker schijnt, kan de mens van binnenuit zonnekwaliteit ontwikkelen.

Dat oefenen we op weg naar kerstmis. Het beleven van het grote ritme in het jaar: uit- en inademend, uitdijend en samentrekkend, dromend en wakker zijn, wordt een voelen van je eigen zielewezen, leert je vrijheid te veroveren in je eigen wereld.

Ziele-evenwicht is hierbij belangrijk, want in de ene helft van het jaar werken andere krachten dan in de andere helft. In september wordt het duister, de zwaartekracht, de doodskrachten, sterker dan het licht, het lichte en de levenskrachten.


Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal

In de beelden van de dierenriemtekens, die ons in deze helft van het jaar begeleiden, vinden we ook polariteiten waartussen we een evenwicht zoeken.

De kreeft - juni/juli - zomerzonnewende. De zon gaat weer dalen en de aarde gaat weer inademen.

De leeuw - juli/augustus - rijpingsprocessen. We beleven voelend en dromend de warmtekrachten en verinnerlijken dat wat we ontvangen. We laten het rijpen en vrucht dragen in de ziel.

De Maagd - augustus/september - de jonkvrouw met de aar, zij draagt de gerijpte vrucht die zij in de zomer ontvangen heeft. Het omhullende (de jonkvrouw, tevens beeld van de ziel) wil haar innerlijke vrucht laten verschijnen. Je kunt er Maria in zien, de draagster van de hoogste mens, of de hemelse Sophia (de oerwijsheid) of, zoals in de Apocalypse van Johannes, het beeld van de vrouw bekleed met de zon, het hoofd omkranst door sterren en de maan onder haar voeten, klaar om de levende ziel te baren.

Voor ons is september een moeilijke maand, dat wat we in de zomer innerlijk bedachten, blijkt niet zo maar te realiseren, vele draken belagen dat wat we geboren willen laten worden. In de herfst herkennen we de verhalen van Sint Joris of Perseus, Herakles en andere helden die jonkvrouwen uit de nood redden.

De Weegschaal - september/oktober - de nachtevening: dag en nacht zijn even lang maar daarna worden de nachten langer, de zonnebaan lager en korter. De zonnekracht neemt af en aardekrachten (duister) gaan overheersen. De mensenziel kan hier evenwicht scheppen. In het licht van ons inzicht, ons denken, ons bewustzijn, maken we afwegingen tussen vooronderstellingen, gevoelens e.d. voordat we gaan handelen met moed, met heilige wil.

Schorpioen, Schutter, Steenbok (Issoire, Puy-de-Dôme, Abbiatiale Saint-Austremoine, 12e eeuw)

De Schorpioen - oktober/november - de zonnebaan is laag en kort, de zon straalt heel zwak: voor licht en warmte moeten we zelf zorgen. Ook voor beschutting want het is koud en guur, het stormt of het mist. Wanneer het blad van de bomen is, zien we in de silhouetten de vorm van de bomen en van de kale aarde.

November is verbonden met verstarring, bewegingsloosheid, met de dood. Het is slachtmaand, het jachtseizoen is open. Het teken schorpioen is een dubbel teken: schorpioen-adelaar.

De schorpioen kruipt in donkere aardspleten, verborgen voor het licht. Hij is zo lichtschuw dat hij zichzelf doodsteekt met zijn gifangel als hij niet weg kan uit het felle licht.

De adelaar leeft hoog boven de aarde in het licht. In het dubbelbeeld schorpioen-adelaar vind je een tweeheid die ook in de mens leeft. Bij de zondeval kreeg de mens de mogelijkheid tot vrijheid en de neiging tot het boze. Zo wordt het Ik wel voorgesteld als een tweesnijdend zwaard (Apocalypse): het kan egoïstisch worden, of zo altruïstisch dat het eigen Ik verdwijnt. Maar het kan ook uit vrije Ik-kracht werken, vanuit liefde en Christuskracht.

Het zich afzonderen van de schorpioen kan je vergelijken met de zondeval van de mensheid. Het is ook een afzonderen van de geestelijke wereld. Het dode, vernietigende, de haat, het duister horen bij dit dierenriemteken, zoals de gifangel bij de schorpioen hoort.

Het is een noodzakelijk stadium op de ontwikkelingsweg om zelfstandigheid te verwerven, om jezelf te leren kennen en zo vrijheid te veroveren met inzicht - met het heldere denken dat bij het teken adelaar hoort - en om samen te leven met je medemens, je samen te ontwikkelen zodat Christus daar bij aanwezig kan zijn.

In het teken schorpioen kom je verzoeking, zonde en schuld tegen, verstarring, duisternis, eenzaamheid en doodsangst. Dat waarmee je op aarde geconfronteerd wordt, moet je leren hanteren en beheersen, door het te leren kennen, om voor het tegendeel te kunnen kiezen. Want zien en waarderen we het licht niet méér in het donker? Zijn we niet zielsdankbaar voor onze warme huiskamer als het buiten koud en guur is?

Deze zware maand november beginnen we met de feesten Allerheiligen en Allerzielen. We worden ons bewust van de geestelijke wereld, met de gestorvenen en al diegenen die ons een vóór-beeld geven.

De Schutter - november/december - wordt afgebeeld als een centaur (half mens, half dier) met pijl en boog. Cheiron, geleid door Apollo en Artemis, was een centaur. Hij was leermeester van vele helden en werd na zijn dood als ‘boogschutter’ onder de sterren geplaatst.

Het dier leeft op aarde horizontaal, de mens richt zich op, zoals we bij het kleine kind kunnen zien als het rechtop gaat staan. De mens vecht niet alleen tegen de wereld buiten zich, maar ook tegen het dierlijke (driften, de zwaarte van de aarde) ín zichzelf.

De mens is verwant aan het dier, draagt het dierlijke in zich als een oerkracht en kan deze kracht met zijn geest opnemen en omvormen tot menselijke kracht. Daarvoor is bewustzijn nodig, inzicht en gericht denken (pijl en boog!). Je vindt dit ook terug in het beeld van Sinterklaas en Zwarte Piet (zie ook het Sinterklaasboekje).

De Steenbok - december/januari - wordt afgebeeld met een visstaart of kruipend uit een schelp, en hij kijkt om. Steenbokken zijn klimmers, ze klimmen op hoge toppen.

In dit teken begint de zon weer te stijgen. Het is de tijd van Kerstmis, de Heilige Nachten, Driekoningen en Epiphanie (de doop van Jezus in de Jordaan), van de geboorte van Jezus, de mensenzoon, het geest-licht. En midden in de Heilige Nachten worden verleden en toekomst verbonden: omkijken en vooruit zien.

Dus: de maagd (ziel) wil wat innerlijk gerijpt is op aarde laten verschijnen maar dat wordt bedreigd door aardse draken, die door het Ik beheerst moeten worden. Daarvoor moet evenwicht gevonden worden, want het Ik moet kiezen tussen polariteiten, uiteindelijk tussen lager en hoger Ik, en moet leren door aardse weerstanden. Door daarmee om te gaan gaat hij om met het dierlijke in zichzelf, vormt het om tot menselijke kracht en kan uit zijn schulp kruipen en omhoog klimmen.


Uit: Les tres riches heures du Duc de Berry

In de donkere maanden geven de jaarfeesten warmte, glans, een lichtend perspectief. Wanneer je in de Legenda aurea van Jacobus de Voragine de beschrijvingen van de heiligenlevens leest, vind je dat ze de elementen (vuur, water, storm e.d.) beheersen, dat ze dieren beheersen (ook het dierlijke in zichzelf). Zij beheersen dat waarmee wij het op aarde zo moeilijk kunnen hebben.

Omdat zij ermee om kunnen gaan zijn ze vrij; niet beheerst door angst, hartstochten en driften, door draken in het zielegebied. Martinus is “voor niets bang wat de mensen hem aandoen”.

De heiligen treden mens en wereld open tegemoet, met oog voor wat mens en wereld vragen. Ze helpen zó, dat de ander zijn weg in vrijheid kan vervolgen.

Zo geeft het Michaelsfeest met beelden van het zwaard van kosmisch ijzer, van Sint Joris en de draak, van de weegschaal… dus de moed, de wil en het enthousiasme om aan de gang te gaan.

Allerheiligen, op 1 november, en Allerzielen, op 2 november, verbinden ons met de krachten van hen die in de geestelijke wereld leven.

Sint Joris, Sint Maarten, Sinterklaas, zijn voorbeelden van hoe de mens werkelijk christen kan worden.

De herfstfeesten beginnen nog met de warme gloed van herfstkleuren, stralende zonnebloemen en rood-geel-gouden bomen. Zomerzonnewarmte werd tot kleur en gaf vruchten: druiven, pompoenen, eikels, kastanjes.

In de herfst haal je de warme kleuren binnen. Op de seizoentafel met bloemen, blad, transparanten voor het raam en mooie lichtende lantaarntjes; een omhulling om samen spelletjes te doen, verhalen te horen en te spelen, te zingen, samen muziek te maken en voor elkaar verrassingen te bedenken (met Sinterklaas of met het ‘wichtelen’).

Zo kan, als we niet geharnast maar met open ‘mantel’ elkaar zien, en met en voor elkaar bezig zijn, de grote Kersttijd (die duurt van Sint Maarten tot Maria Lichtmis) een glanzende tijd worden die zijn glans verspreid over alle harde aardse opgaven waarmee we te maken hebben.

De weg door de herfst is de weg van de ziel naar Christus; de zieleontwikkeling door de aardse uitdagingen heen met en tussen je medemensen, samen en toch ieder de eigen weg gaand. Open, met interesse, meelevend, meevoelend met ieder in eigen verantwoordelijkheid levend, weven we aan een kleed, een mantel voor Christus.

© Het Zonnejaar 1980 - 2021