Staan wij als mensheid moederziel alleen op aarde?

Alice Woutersen

Deze vraag overvalt ons wel eens, vooral als het nieuws op de tv of in de krant kommer en kwel het huis binnen laat stromen. Waar is de grond om op te staan? Zijn wij dolende zoekers in een leeg universum? Zijn wij zoekende zielen naar ’Ken Uzelve’ om zo de bron van het bestaan te ontdekken en merken, dat wij niet in een lege kosmos leven?

Allemaal vragen die wij kennen en waarop wij geen echt antwoord hebben. Wij zullen ook geen antwoord krijgen, wanneer wij niet zélf innerlijk op weggaan. Wij kunnen proberen bewustzijn op te brengen voor de ontwikkelingsweg die de mensheid door eeuwen heen gegaan is en ook nu gaat. Wanneer wij terugkijken, realiseren wij ons dat wijsheid in de vorm van geschriften, spreuken, verhalen, openbaringen en andere beelden, de culturele mensheidsontwikkeling heeft begeleid. En wanneer wij deze beeldentaal van wijsheid leren begrijpen, realiseren wij ons dat wij niet echt eenzaam zijn. Er is wel hulp, hulp uit een niet zichtbare wereld, maar die hulp is voor een groot deel gekoppeld aan eigen innerlijke werkzaamheid. Is deze beeldentaal van wijsheid nu gestopt? Neen, maar door het grote aanbod van ware en onware geschriften zijn wij door de bomen het bos kwijtgeraakt.

In een schets, geordend in een aantal onderdelen, wil ik u iets vertellen over hulp, die ons vroeger, nu en in de toekomst begeleidt. De bron van deze schets ligt in de voordrachten van Steiner.

I. De Paradijsziel

Met Kerstmis gedenken wij de geboorte van dat kleine kindje, dat door zijn moeder Maria in de kribbe werd gelegd en waarover de engelen zongen. De engelen waren zo verheugd dat dit reine mensenwezen nu eindelijk op aarde geboren werd, dat zij verschenen aan de herders op het veld en jubelend en lovend zongen: ’Ere zei God in den hoge en vrede op aarde onder de mensen van goede wille.’

Wisten de engelen al dat hiermee een nieuwe ontwikkeling op gang zou kunnen komen? Het Lucas evangelie (Luc.2) vertelt er niets over. En de herders? Zij waren in het veld bij de kudde en wisten van niets tot de hemelse heerschare verscheen en hun vreugde uitzongen over het kind dat geboren was. Dit kindje was een mensenziel, die voor het eerst op aarde incarneerde. Het was nog zo levend en zo onschuldig als Adam was voordat hij van de appel van de boom van de kennis van goed en kwaad gegeten had. Deze ziel zou je een paradijsziel kunnen noemen, het oerbeeld van de mens voordat de mensheid in de afzonderingsval terecht kwam.

Steiner noemt deze zuivere mensenziel de zuster- of broederziel van Adam Hij wordt ook de Nathaanse ziel genoemd, omdat het aardse lichaam van deze ziel volgens het Lucas evangelie afstamde van Nathan, de zoon van David, die priester was (Luc.3.23-38). In dit boekje noemen wij hem de Nathaanse ziel. Deze ziel verbleef tot deze ’geboorte op aarde’ in de geestelijke wereld. Wat deed hij daar? Zweefde hij daar werkeloos wat rond?

O neen. Hij leefde in een soort engel-aartsengel achtige toestand in de geestelijke wereld en hield zijn broeders op aarde (dat zijn wij mensen) goed in het oog. Hij luisterde naar hun noden en als het hulpgeroep groot werd, verzamelde hij al die noden en ging daarmee naar de Zonnegeest (Christus of de Logos) om te vragen of Hij kon helpen. Als zuiver oerbeeld van de mensenziel was de Nathaanse ziel in staat om naar de bronnen van ons bestaan te gaan en daar krachten te verzamelen, die hij naar Christus bracht. Deze bewerkte de krachten, zodat zij geschikt werden om de mens te helpen het midden te vinden en op de juiste manier te functioneren. Deze krachten vloeiden vanuit de geestelijke wereld als hulp naar de mensheid (zie verderop).

In de oude mysterien kende, men dit geestelijke wezen, als het oerbeeld van de mens en was de Nathaanse ziel door wij dingen in de geestelijke wereld waarneembaar. Volgens Steiner werd hij in de oude mysteriescholen waargenomen als een ziel die de mensheid begeleidden inspireerde hij als Krishna ook tot de wijsheid in de Bhagavad Gita (zo'n 3000 v C).

II. Waarom was de mensheid in nood?

Om daar een voorstelling van te maken, hoe primitief ook, zullen wij terug moeten gaan in de tijd. Wie kunnen ons daar dan over vertellen?

Mensen die in staat zijn om in het wereldgeheugen (Akasha-kroniek) te lezen. Steiner kon dat als moderne ingewijde en ziener. Geinspireerd door zijn voordrachten ben ik tot het volgende beeld gekomen:

«Heel lang geleden, zo lang dat wij er geen voorstelling van kunnen maken, ontstond er in de geestelijke wereld een groot verlangen. Men wilde bewustzijn krijgen over iets dat in hen leefde: de Kosmische of Goddelijke Liefde.
Wij weten allemaal dat je alleen maar bewustzijn voor iets kan ontwikkelen als je er van buitenaf naar kunt kijken, je moet er enige afstand toe kunnen nemen. Daarom besloot de Goddelijke geestelijke wereld om wezens te gaan scheppen die in zichzelf de liefde zouden kunnen ontwikkelen en vervolmaken. En deze wezens zijn wij: de mens!!

Wij zijn die wezens, die in onszelf de ware liefde kunnen ontwikkelen. Ware Liefde kun je innerlijk alleen ontwikkelen als je innerlijk vrij kunt zijn. Dat wil zeggen dat je in je zelf kunt rusten en op eigen benen kunt staan. Innerlijke vrijheid en zelfstandigheid zijn ononbeerlijk voor het ontwikkelen van echte liefde. Het scheppen van deze wezens (mensen) en hun leefomgeving nam heel veel tijd in beslag. Er was ook veel voor nodig en die ontwikkeling van alles wat nodig was verliep in verschillende fasen. (Iedereen die zich daar in wil verdiepen kan de voordrachten van Steiner lezen over de ontwikkeling van de aarde via Oude Saturnus, Oude Zon, Oude Maan en uiteindelijk onze vertrouwde aarde (R. Steiner: Uit de Akasha-kroniek (GA II), zie ook artikel in dit boekje)

Toen de ontwikkelingsfase van onze huidige aarde aangebroken was, begonnen de geestelijke wezens alles wat op de Oude Saturnus, de Oude Zon en de Oude Maan gevormd en ontwikkeld was, om te werken in aardse vormen. De kiemen voor de fysieke wereld hadden de geestelijke wezens die Thronen genoemd worden, al gelegd in de Oude Saturnusfase. Zij hadden hun warmte-substantie geschonken opdat die eens de mens zou kunnen dragen en dienen als fysieke wereld. De herinnering aan alles wat in de Oude Saturnusfase gebeurd is, werkt nu vanuit de geestelijke sfeer van de sterren (dierenriem) en heeft invloed op de bouw van ons fysiek lichaam (zie afbeelding). Geestelijk gezien weten wij dat innerlijke warmte voor onze medemens, voor onze aarde en voor de geestelijke wereld ons draagt.

De kiemen voor de etherwereld kwamen tot ontwikkeling in de Oude Zonfase. De Geesten van Wijsheid schonken daarvoor hun scheppende substantie. Hier op aarde vinden wij dat terug in alles dat leeft. De herinneringsbron is nog te vinden in de geestelijke sfeer van de planeten. Geestelijk ervaren wij deze werking in het fantasierijke en creatieve omgaan met alles wat ons omringt en wat wij vormgeven. De kiemen voor de astrale wereld werden door de Geesten van de Beweging gelegd in de Oude Maanfase. Ook zij schonken scheppende substantie. Aan hen danken wij ons gevoel en de basis voor onze instincten. De oerherinnering is geestelijk te vinden in de sfeer van de zon, maan en aarde. In dit gebied zijn wij gevoelig voor sferen en stemmingen. (Tussen de regels door horen wij wat er met een ander aan de hand is.)

De kiemen voor het ik werden door de Geesten van de Vorm in onze huidige aardefase gelegd. Tot dat moment lag de mens als het ware te slapen in de armen van de geestelijke wereld. Alles moest eerst in gereedheid gebracht worden en toen brak het grote moment aan, dat de Exousiai of Geesten van de Vorm hun gave zouden geven: de substantie voor een eigen ik. Hierdoor kreeg de mens de mogelijkheid ooit een zelfbewustzijn op te bouwen en tot vrijheid te komen, waaruit de ware liefde ontwikkeld zou kunnen worden. Op het moment dat de mens zijn ik-substantie kreeg was er nog geen sprake van vrijheid. De mens stond onder volledige leiding van de geestelijke wereld. De mens was nog één met de goden of God en ’leefde in het paradijs’.

Hoe kom je tot zelfbewustzijn en vrijheid als je nog helemaal ingekapseld bent in de harmonie van de geestelijke wereld?

In die tijd dachten, voelden en wilden de mensen nog niet zelf de goden dachten, voelden en wilden in hen. De mens kon nog niet vrij over zijn etherkrachten beschikken en deze gebruiken naar eigen goeddunken. De etherkrachten (levenskrachten), waarvan de Boom der kennis en de Boom des levens een beeld zijn, waren nog in de invloedssfeer van de goden.

Hoe kon de mens nu zelfstandig worden?

Geestelijke wezens kunnen een proces begeleiden, maar zolang zij in de kosmische harmonie leven kunnen zij niet bewerkstelligen dat de mens vrij wordt. Dat kan alleen een geestelijk wezen, dat het offer brengt om uit deze kosmische harmonie te stappen. En er waren geestelijke wezens die dit offer brachten. Zij stapten uit deze kosmische harmonie. En toen?? Toen moesten zij een eigen rijk stichten om in te leven, een rijk buiten de kosmische harmonie. Vanuit die positie kunnen zij de mens losmaken uit het ’één zijn met de kosmische harmonie’.

Deze geestelijke wezens brengen een offer in dienst van de mensheid. Zij worden de losmaakkrachten en ’tegenstanders’ van de goden. Helaas kunnen zij zichzelf niet meer uit deze positie bevrijden en ook niet op eigen kracht terugkeren in de kosmische harmonie. De tegenstandersmachten zullen op deze manier moeten blijven werken totdat de mens in de toekomst, door innerlijke ontwikkeling (en met hulp van Christus) hen weer terug brengt in deze harmonie. De ’losmaakkrachten’ helpen in eerste instantie mee om de mens vrij te laten worden, maar in tweede instantie, als de mens niet wakker wordt en op zijn eigen benen gaat staan, zal het omgekeerde gebeuren: de mens zal de dienaar en onderdaan van deze ’losmaakkrachten’ worden en dan kun je hen tegenstandersmachten of duivel noemen.»

Wanneer kregen wij mensen onze ’ik-substantie’?

Volgens Steiner in de Lemurische tijd (dus nog voor de Atlantische periode van de aarde). "De Here God blies ons de levensadem (of de geest) in de neus en zo kwam de mens tot leven" (zie Gen. 2.4-7).

De mens kwam tot eigen leven. Pas als deze ik-substantie gaat werken krijgen de tegenstandersmachten de kans de mens uit de harmonie van de kosmos los te weken. Dit proces wordt in het Genesisverhaal kort afgedaan (Gen. 3.1-24) als de zondeval of afzonderings-val. Mythen uit de Griekse mythologie, de IJslandse Edda en de Finse Kalavala geven dit proces met veel meer nuances weer.

Als de mens ’tot eigen leven’ komt, begint in zijn innerliik zijn opdracht steeds duidelijker te klinken.

III. De opdracht

Laten wij teruggaan naar het begin van het verhaal: de mensheid werd geschapen om vanuit zichzelf de Liefde te ontwikkelen. Deze opdracht klinkt diep in ons onderbewuste en zet ons aan tot zoeken en streven naar wijsheid en verlangen naar liefde. De wijsheid die wij zoeken, is ons geschonken en ligt overal om ons heen. Wij leven in een kosmos van wijsheid. Wij hoeven haar alleen te ont-dekken, te zien en te begrijpen. Door haar te leren kennen, geeft zij ons grond onder de voeten van waaruit wij ook geestelijk gezien op eigen benen kunnen staan.

De Liefde waar wij naar verlangen en streven, ligt minder duidelijk om ons heen. Wij ervaren wel liefde, maar de ware belangeloze liefde moeten wij hier op aarde zelf innerlijk ontwikkelen en zichtbaar maken. En dat is heel moeilijk. Nu is het geen ont-dekken, maar innerlijk scheppen.

Hoe komt het dat wij innerlijk nog steeds dit streven en verlangen kennen, terwijl de tegenstandersmachten er alles aandoen ons van het goede pad af te leiden? Nu komen wij terug bij de Nathaanse ziel, de paradijsziel, die in eerste instantie niet incarneerde, maar zijn mensenbroeders en zusters in het oog hield om hen te helpen als het mis dreigde te gaan. In het oog houden en willen helpen is één, maar hoe je helpt is een tweede. De Nathaanse ziel kan zelf niet echt helpen, hij kan alleen hulp vragen en zelf alles aanbieden wat hij kan geven. De wezenlijke hulp komt van Hem die wij aanduiden met de namen van Logos, Zonnegeest of Christus. Sinds de Lemurische tijd werken de Nathaanse ziel en Christus al samen en dat doen zij nu nog en ook in de toekomst. Steiner vertelt er over in de voordrachtencyclus ’Vorstufen zum Mysterium von Golgatha’ (GA 152).

Hoe Zij ons ter zijde staan? In de volgende delen zal ik proberen om iets heel groots eenvoudig te vertellen.

Door dat te doen haal je iets wat bewegend en levend is uit zijn actie en laat je het stollen tot een beeld (ex-act). De lezer zal zijn liefde en creativiteit moeten gebruiken om het beeld weer beweeglijk en levend te maken, zodat je innerlijk de beweeglijke wijsheid kan meevoelen. Wij noemen dat proces ’be-leven’, innerlijk tot leven brengen.

IV. Het fysieke lichaam in gevaar

Terwijl de paradijsziel of Nathaanse ziel als oerbeeld van de paradijsmens in de geestelijke wereld verbleef, verging het de mensheid niet zo goed. Aan het eind van de Lemurische tijd namen de tegenstandersmachten hun taak als losmaker op en zochten omstandigheden om hun werk te doen. Die omstandigheden ontstonden doordat de ik-substantie in de mens ging werken. Er ontstond een innerlijke drang om rechtop te gaan staan en de zintuigen zoals ogen, oren, even wichtszin enz. intensiever te gaan gebruiken. Dit was iets nieuws, de mens richtte zich vanuit de horizontale stand op in de verticale stand.

De tegenstanders zagen dat met plezier aan en besloten dit rechtop komen te verstoren en de zintuigen net een beetje anders te beinvloeden zodat zij niet objectief zouden waarnemen. In dat geval zou de mens niet vrij kunnen worden en uiteindelijk een onderdaan van de tegenstanders-: macht zijn. Toen klonk vanuit het ’fysieke lichaam’ van de mens een roep om hulp: "Hoe vind ik het goede midden? Waar moet ik mij naar richten, opdat ooit innerlijke vrijheid kan ontstaan? Help mij!"

Deze hulproep steeg op naar de hemel en de Nathaanse ziel hoorde de roep van zijn broeders en ging naar Christus, naar de zonnegeest om te vragen of die kon helpen. Dat kon, maar dan moest de Nathaanse ziel naar de oerbronnen van het fysieke lichaam gaan. De kiemen voor het fysieke lichaam zijn gelegd in de tijd van de Oude Saturnusfase en de herinnering daaraan is nog te vinden in de geestelijke sfeer van de vaste sterren (dierenriem).

En daarom ging de Nathaanse ziel naar de vaste sterren om daar uit de 12 oerbronnen alle krachten te verzamelen, die werken aan de opbouw van het fysieke lichaam Met deze krachten in zijn armen ging hij naar Christus. Christus werkte deze krachten zo om, dat er een geestelijk juist oerbeeld voor het fysieke lichaam ontstond met de daarbij behorende krachten om dat te kunnen verwezenlijken.

Zo werd de Nathaanse ziel de drager van het geestelijke oerbeeld van het fysieke lichaam van de mens. Steiner beschrijft dat de krachten die nodig zijn om dit beeld na te volgen, via de stralen van de zon geestelijk naar de mens toestromen. Het fysieke lichaam kan zich hiernaar richten en ervoor zorgen dat de mens op de juiste manier rechtop kan staan en gaan en dat zijn zintuigen neutrale en betrouwbare informatie doorgeven.

Deze krachten werken tot op de dag van vandaag en zijn heel duidelijk en zuiver waarneembaar bij baby's en peuters. Onbewust geven zij gehoor aan deze impuls om onbevangen met hun zintuigen de hele wereld te ontmoeten en werkelijk rechtop te gaan staan en het evenwicht te vinden om te lopen. Het is toch wonderbaarlijk hoe ieder klein kind dat doet. Ieder mensenkind richt zich onbewust op dit oerbeeld en maakt gebruik van deze krachten, die hem tegemoetstromen vanuit de geestelijke wereld. De tegenstandersmachten krijgen zo geen kans dit proces te verstoren. Een peuter gaat zelf staan en vrij rond lopen, om later een zelfstandig en vrij (onafhankelijk) mens te worden. Dank zij dit geschenk van Christus en de Nathaanse ziel kan ons lichaam ons belangeloos en in harmonie dienen.

V. De aantasting van het etherlichaam

Nu de tegenstandersmachten het fysieke lichaam niet meer zo makkelijk konden verstoren, besloten zij een aanval uit te oefenen op het etherlichaam. Als zij dat eens lekker zouden verstoren, dan zouden de organen niet in harmonie met elkaar gaan werken. Alles wat met levensfuncties verbonden is, zou terecht gekomen zijn in een stroom van begeerte of afkeer. Volgens Steiner zou vooral de ademhaling (longen) daar heel uitgesproken op gereageerd hebben, waardoor de mens niet tot spreken zou zijn gekomen en alleen lallend wat klanken zou uitstoten.

Weer klonk vanuit de aarde hulpgeroep. En de paradijsziel ging naar het gebied waar de herinnering aan de oerbron van het etherlichaam ligt. De kiem voor het etherlichaam werd in de Oude Zonfase gelegd, toen de Geesten van de Wijsheid hun wijsheidssubstantie schonken en die door allerlei geestelijke wezens bewerkt werd. De herinnering aan die fase is als bron voor het etherlichaam nog te vinden in de geestelijke sfeer van de planeten.

Toen het hulpgeroep over het in de war raken van het etherlichaam de Nathaanse ziel bereikte, ging hij naar de oerbron om al de krachten te verzamelen die werkzaam zijn in het menselijke etherlichaam en bracht deze samen met de noden naar Christus. Deze werkte dit alles om en daardoor werd de Nathaanse ziel ook de drager van het oerbeeld van het etherlichaam, zoals het zou moeten functioneren om de mens te dienen in zijn ontwikkeling naar vrijheid. Dit straalde (samen met de krachten) uit naar de aarde en gaf de mens de mogelijkheid om klanken te maken en te spreken.

Onze peuters voelen dat onbewust en beginnen spreekoefeningen te doen, zingen onze intonatie van de taal na, oefenen klinkers en medeklinkers en beginnen te spreken. Het is toch een wonder dat wij met de lucht uit onze longen en met behulp van ons strottenhoofd, stembanden en mond kunnen spreken en zingen, zoals wij zelf willen! Wat een vrijheid! Deze tweede gave (offer) van de Nathaanse ziel en Christus, die volgens Steiner plaats vond in het begin van de Atlantische tijd, geeft ons de mogelijkheid van de spraak.

VI. De bedreiging van het astraallichaam

Het derde geschenk kregen wij als mensheid aan het einde van de Atlantische tijd. De tegenstandersmachten probeerden ons astraallichaam zo in de war te brengen dat het denken, voelen en willen niet in harmonie met elkaar kon werken. Dit gaf ondragelijke gevoelens van hartstocht, angst en haat, zonder dat het verstand de kracht had iets te kunnen ordenen of overzicht te krijgen.

De Nathaanse ziel moest als geestwezen onderduiken in deze hartstocht van de mensenziel en er zo één mee worden dat hij als het ware die hartstocht werd, tot ’draak’ werd. Zo kon hij de nood van de mens zichtbaar maken. De oerbron van het astrale lichaam is te vinden in de geestelijke sfeer van de zon, maan en aarde (herinnering aan de Oude Maanfase). Hij bracht de noden en de krachten uit de oerbron bij Christus, die het zo kon doorlichten, dat deze zielenkrachten wel in harmonie kunnen samenwerken.

De Nathaanse ziel droeg nu ook het oerbeeld van het juiste astraallichaam voor de mens en de krachten die naar de aarde stromen geven ons de mogelijkheid deze harmonie te vinden. Dit is het derde offer (gave), dat in het beeld van Sint Joris met de Draak (en vele soortgelijke beelden) nog door klinkt. Deze gave maakt het de mens mogelijk te denken en zo over zicht te krijgen over zijn hartstochten en allerlei andere zieleroerselen. Ook dit gaan denken laat de peuter duidelijk zien, ook al is de peuter nog steeds deel van het geheel waarin hij leeft.

VII Christoforus of Christusdrager

Drie keer was de Nathaanse ziel in de geestelijke wereld de drager van de door Christus ontwikkelde krachten. Onbewust werken deze krachten in ons en zorgen ervoor dat ons lichaam een uitgebalanseerd ’werktuig’ kan worden voor ons Ik. Het lichaam geeft het Ik de mogelijkheid om via het bewustzijn tot vrijheid te komen. De broodnodige vrijheid om ware Liefde te kunnen schenken.

Geestelijk kunnen wij mensen ook een Christoforus zijn, door te werken met de krachten die Christus aan de aarde geschonken heeft. Vóór het Mysterie van Golgotha was dat ook mogelijk voor ingewijden, die via de inwijding geestelijk de Zonnegeest (Christus) ontmoet hadden.

Werken met… is iets anders dan jezelf door de Christuskracht te laten doorwerken, waardoor een innerlijke metamorfose (verwandeling) ontstaat. Als dat gebeurt, word je van een Christoforus tot een Christusontvanger. Christus leeft dan in en door je. Deze mogelijkheid is pas ontstaan na het Mysterie van Golgotha en heeft te maken met ons ik.

Het Ik van de mens is iets bijzonders. Wij hebben een fysiek-, ether- en astraallichaam, maar wij zijn ons Ik. Ik ben de enige die tegen mijzelf ik kan zeggen! Mijn fysiek-, ether- en astraallichaam zeggen: "het beeld dat Christus voor ons heeft ontwikkeld is ons richtpunt en zo willen wij ’belangeloos’ dienen." Met het Ik is dat anders, die kan alleen uit vrije wil de Christus volgen. Als dat niet zo zou zijn, dan waren wij niet vrij meer en zou onze opdracht onuitvoerbaar zijn geworden!

Dit vrij-worden is iets dat zich op aarde ontwikkelt. Daarom komt Christus zelf naar de aarde. Op aarde kan Hij de werkelijke problemen van het Ik ervaren. Op aarde zal Hij ook de krachten ontwikkelen, die de mens nodig heeft om de weg naar vrijheid en liefde te vinden. Het juiste oerbeeld en de krachten kan Hij geven; Christus kan de mens ook helpen en bijstaan, maar de mens zal zelf in alle vrijheid zijn kansen moeten oppakken en aan het werk gaan.

VIII. De aanval op het ik van de mens

Het vierde geschenk of offer begint zoals het principe van de eerste drie offers verliepen. De tegenstandersmachten waren al tijden bezig het ik van de mens te bewerken. Dat beviel hen prima, vooral omdat je via dat ik ook weer verstorend kan inwerken op het lijf. (Wij zeggen tegenwoordig niet voor niets: "Het zit tussen je oren")

Het werkterrein van deze machten is de aarde en zij kenden de aarde-omstandigheden beter dan de geestelijke wereld die kende. Sterker nog, zij creëerden een eigen wereld op aarde en zorgden voor ziekten en dood. Er ontstond een duister gebied voor de geestelijke wereld. Zij konden niet precies waarnemen of begrijpen wat daar gebeurde. En het ik van de mens? Die verloor de verbinding met de geestelijke wereld, doordat de oude helderziende en helderhorende vermogens steeds onbetrouwbaarder werden (de afzonderingsval). De tegenstandersmachten waren dik tevreden, vooral toen de mens het zicht kwijtraakte op het verschil tussen ’goede’ geestelijke wezens en tegenstandersmachten. Klonk er nog hulpgeroep?? Had de mens in de gaten wat er gebeurde? Had hij zicht op een ontwikkeling naar vrijheid?

Pas op aarde kreeg de mens de subtantie voor zijn ik (zie II). Alle ik-ervaringen zijn op aarde opgedaan. Om het ik van de mens te helpen en te redden besloot Christus in samenwerking met de Nathaanse ziel (die in oorsprong een mensenziel is) af te dalen naar de aarde. Alleen op aarde zouden zij de noden van de mens kunnen begrijpen en ervaren. Als eerste ging deze paradijsziel, hij volgde zijn broeders en zusters en incarneerde voor de eerste maal op aarde. Hier op aarde kon hij al de noden, maar ook al de krachten verzamelen, die Christus nodig had om op de juiste manier te helpen.

De Nathaanse ziel incarneerde als het kind waar de engelen over zongen (Luc 2.14). Dit gebeurde in de historische tijd, in de ’tijd van de Grieken en Romeinen’. Het individuele denken, los van het goddelijke denken, begint schoorvoetend op gang te komen. De Griekse filosofen (allen opgeleid in mysterieplaatsen, de ’universiteiten' van toen) voelen in hun denken nog de werking van de goden (daimon in mij), maar dit beleven ebt snel af De mens gaat zich meer interesseren in de wereld om zich heen en de verbinding met de geestelijke wereld wordt steeds vager. De bloedsbanden waren in die tijd erg belangrijk, men leefde in en dankzij de groep, alleen inwijdingen in de oude mysteriën konden je daar in zekere zin van losmaken. Voor de Grieken waren de niet-Grieken barbaren, voor de Joden waren de niet-Joden heidenen. Het ik van de mens was nog gebonden en bezat de kracht niet om vanuit zichzelf werkelijk vrij te zijn.

Door het ’vierde’ offer zorgt Christus ervoor dat de mensheid de volle kracht van het Ik kan gebruiken, dat wil zeggen dat het zelf tot de innerlijke zelfstandigheid in de ziel kan komen (zie GA 103 23-5-1908). Hij schept dus de mogelijkheid om los te komen uit bloedsbanden, dus ook uit de band van volk en ras. Christus schenkt ons geen ik substantie, want die hadden wij al, maar wel de kracht en mogelijkheid om bewustzijn te krijgen van deze goddelijk geestelijke gave en deze zelf tot leven te laten komen.

Deze goddelijke kern, die in ieder mens aanwezig is, kan hierdoor (nu ook buiten de inwijdingen van de oude mysterien om) in onszelf tot leven komen en in alle vrijheid liefde gaan uitstralen. Dit vierde offer voltrok zich op aarde in het begin van onze jaartelling. De evangeliën proberen daar een beeld van te geven. Helaas zijn wij mensen van de 21ste eeuw niet meer in staat dat te benaderen en te interpreteren zoals de mensen dat gedaan zouden hebben, die in die tijd leefden. Naast geloven en ervaren willen wij ook begrijpen en geesteswetenschappelijk onderzoeken. Wij hebben achtergrondinformatie nodig. Steiner helpt ons daar bij. Ik zal proberen met 21ste eeuwse woorden een beeld te schetsen dat misschien wat inzicht kan brengen.

IX. Het leven van Jezus

De Nathaanse ziel incarneerde op aarde als reine mensenziel, zonder enige aarde-ervaring, zonder enig karma. Zijn lichaampje werd door het Joodse volk voorbereid en was het beste wat de mensheid hem op dat moment kon schenken. Hij kreeg de naam Jezus (Luc. 2.21). Maar hoe kon hij zonder enige ik-ervaring, de noden en de op aarde ontwikkelde krachten van het mensen-ik oppakken? Zonder aardse hulp zou dat niet mogelijk zijn geweest.

De hulp kwam van een grote ingewijde, die al vele malen op aarde gewerkt en geleefd had (dus vele incarnaties). Deze ingewijde incarneerde deze keer als het Jezuskind wiens geboorte beschreven wordt in het Mattheus evangelie (Matth 1 en 2). Steiner zegt dat in dit Jezuskind de ziel van Zarathoustra incarneerde. Dit is een hoog ontwikkelde ziel, die al vele keren incarneerde en door zijn inwijdingen juist veel ik-ervaringen had opgedaan.

De wijzen uit het Oosten (ook ingewijden) wisten dat hij geboren zou worden en daarom wilden zij hem begroeten (Matth. 2.1-12). Ook Herodes had van hem gehoord, vond hem bedreigend en wilde hem doden. De ouders van deze Jezus werden gewaarschuwd (Matth. 2.13-18) en vluchtten met hem naar Egypte.

Pas later leerden deze twee verschillende Jezuskinderen (de Nathaanse Jezus (Luc.) en de Salomonisch Jezus (Matth.) elkaar in Nazareth kennen. Zij waren heel intiem met elkaar bevriend. De Salomonische Jezus voelde zich zo verbonden met de Nathaanse Jezus, dat er op twaalfjarige leeftijd van de laatste iets heel bijzonders gebeurde. Door enorme overgave gebeurde het, dat het Ik van de Salomonische Jezus overging op het lichaam van de Nathaanse Jezus. Dit ik (met heel veel aarde ervaring) kon vanuit deze positie meehelpen aan de juiste ontwikkeling. De Nathaanse ziel had helemaal geen aardse ik-ervaring en was daardoor niet in staat zijn eigen astrale lichaam aangepast aan die tijd te ontwikkelen Het Ik van de Salomonische Jezus nam deze taak op zich en bracht het astraallichaam tot ontplooiing. Op deze wijze kreeg de Nathaanse Jezus inzicht in de noden van de mensheid op dat moment.

En die noden waren heel hoog! De geestelijke wereld was niet meer in staat de mens via de oude mysteriën te inspireren. Hierdoor was de mens de weg kwijt geraakt en tastte in het duister of hield zich angstvallig vast aan overleveringen. Individuele vrijheid was er nog niet, men leefde nog gebonden aan bloedsbanden en als deel van de groep en de inwijdingen die dit in zekere zin zouden kunnen opheffen waren decadent geworden.

Van het twaalfde tot het dertigste jaar werkte het Ik van de Salomonische Jezus in de Nathaanse Jezus om van binnenuit het astrale lichaam te ontwikkelen en de noden van de mensheid te verzamelen (zie Vijfde evangelie). Toen dit Ik zijn werk gedaan had, verliet hij het lichaam weer om plaats te maken voor Christus.

In zijn dertigste jaar ging Jezus naar de Jordaan, naar de plek waar Johannes de Doper de mensen doopte met water. Daar stond dus de Nathaanse ziel, die alles had voor bereid en nu de Christus in zich kon ontvangen. Hierdoor bood hij aan Christus de mogelijkheid zijn werk op aarde te beginnen. En dat gebeurde ook, want tijdens de doop daalde Christus als geestelijk wezen af en begon het lichaam van Jezus binnen te trekken. Stapje voor stapje doorwerkte Hij in de volgende drie jaar dit lichaam en vereenzelvigde zich met het menszijn. Van goddelijk geestelijk wezen werd Hij waarlijk mens, zelfs tot in het menselijke doodsproces toe.

Hij stierf als mens aan het kruis (Goede Vrijdag) en kon daardoor afdalen in het rijk van de tegenstandersmachten (in de kerk de afdaling ter helle genoemd en herdacht op Stille Zaterdag). In dit rijk reikte Hij de Mens (Adam) de hand, zodat het mensen-ik kon beginnen met zich los te maken uit banden, die de ontwikkeling naar vrijheid in de weg staan.

X. Christusontvanger zijn

De Nathaanse ziel was tot het vierde offer steeds een Christoforus geweest (zie VII), maar nu ontving hij, als de Nathaanse Jezus, Christus in zich. Christus doorwerkte als hoger Ik het hele wezen van Jezus. Door het vierde offer werd de Nathaanse ziel tot Christusontvanger. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen?

Het grote geestelijke wezen, die als centrale wezen de scheppende kracht van onze hele schepping is, daalde af naar onze aarde om onze broeder te worden en ons te helpen met ons eigen innerlijke scheppingsproces (ontwikkeling). Het Johannes evangelie noemt Hem het Woord (Logos) en beschrijft dit gebeuren in Joh. 1.1-19 (Het Scheppende Woord). Om werkelijk mens te kunnen worden, zal dit geestelijke wezen stapje voor stapje het lichaam van Jezus tot zijn mensenlichaam maken. Dit is een heel subtiel proces, want een mensenlichaam verdraagt het niet om plotseling en langdurig door een heel hoog geestelijk wezen doordrongen te zijn en het geestelijke wezen kan de mens alleen helpen, als Hij ervaart wat mens-zijn tot in al zijn facetten is.

Steiner beschrijft dat Chrisus eerst nog maar los verbonden is met het lichaam van Jezus, het als het ware omspeelde. Deze verbinding werd in de loop van de drie jaren steeds steviger. Het eerste jaar doorwerkte Christus vooral het astraallichaam van Jezus zodat het tot Geestzelf werd. In die vorm kon Christus zich verenigen met dit astraallichaam. Tegelijkertijd had Hij ook alle krachten ontwikkeld die het ik van de mens in de toekomst nodig zal hebben om zelf dit proces innerlijk te bewerkstelligen. Deze krachten droeg Jezus van dat moment in zich. Zo werkte Hij ook het etherlichaam om tot Levensgeest en het fysieke lichaam tot Geest mens.

Het Ik van Christus verbond zich stapsgewijs met Jezus van Nazareth tot Hij helemaal mens geworden was. Daarom spreken wij van Jezus Christus (of Christus Jezus). Al de krachten, die wij nodig zullen hebben om de bovengenoemde ontwikkelingstreden na te volgen, waren in het bloed van Jezus aanwezig. Dat zijn dus de krachten om ons astraallichaam om te vormen tot Geestzelf, het etherlichaam tot Levensgeest en het fysieke lichaam tot Geestmens.

Tijdens de kruisiging van Jezus stroomde dit bloed uit de wonden in de aarde. Hierdoor stroomden dus de bovengenoemde krachten in de aarde. Sindsdien zijn zij binnen het bereik van de mens gekomen, maar dat wil niet zeggen dat wij al ver genoeg ontwikkeld zijn om deze krachten allemaal te gebruiken.

Christus bracht ons de krachten die wij nodig hebben voor onze ontwikkeling en dat zijn nieuwe krachten, die er daarvoor niet waren. Christus verbond zich door zijn menswording (Mysterie van Golgotha) met de aarde en werd tot onze Broeder, die ons steeds terzijde kan staan bij ons innerlijke scheppen. Dit innerlijk scheppen heeft met ontwikkelen te maken en natuurlijk ook met creativiteit, speelsheid, fantasie enz. (zie verder stukje over de fantasie). Kinderen laten dit zien, maar ook het kind dat in ieder mens leeft. Het "Scheppende Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond" (is mens geworden) om ons te helpen als individu innerlijk scheppend te zijn. Ook onze peuter/kleuter voelt deze krachten van ’zelf scheppend zijn’ en kondigt dat aan met het uitspreken van ’ik’ en het ontstaan van innerlijke fantasie.

Er is heel veel te vertellen en te ontdekken over het Mysterie van Golgotha, maar dat zou dit artikel tot een heel dik boek maken. Voor meer achtergronden verwijs ik u naar andere literatuur hierover.

XI. Hoe gaat het verder?

Al de krachten, die Christus ontwikkeld had, stroomden de aarde en de aardesfeer binnen en begonnen (onzichtbaar voor de mens) in alle mensen te werken. Van binnenuit begint deze Christuskracht de mensheid te inspireren en het persoonlijke ik van de mens lang - zaam maar zeker wakker te schudden. In eerste instantie ging dat vooral via het gemoed. Vanuit deze directe inspiratie ontstaan de eerste christenen. Namen zij nog iets van de opgestane Christus waar? Begrepen zij iets van het gebeuren?

De eerste paar eeuwen voelde men zich in zekere zin gedragen, maar daarna verdween dit langzaam en ging men op zoek naar inzicht. Het zuiver helderziend waarnemen was al vervaagd of gaf vervormde beelden door. De mens probeerde nu zelf na te denken en steunde daarbij op mysterie wijsheid die overgeleverd was. Het werd steeds onoverzichtelijker. Er ontstond een verlangen naar begrip en helderheid.

In de vierde eeuw begon het grote zoeken. Wie of wat is Christus en wat versta je onder zijn dood en opstanding en wat heeft dat met de mens te maken? Naast devotie en overgave ging macht een grote rol spelen en leek het of vrijheid alleen voor de machthebbers was.

Werkte de Christus impuls dan niet in deze tijd?

Ja, die werkte zeker en werkt nog steeds. Deze kracht werkt onbewust en begeleidt de mens stapje voor stapje in zijn proces om bewustzijn te ontwikkelen en op eigen benen te staan. Heel veel ouds werd afgebroken, de mens kreeg steeds meer zicht op de wetmatigheden van de fysieke aarde en daarmee begint het natuurwetenschappelijke onderzoek De geestelijke inhoud vervaagt voor de mens, alleen de zintuiglijk waarneembare wereld wordt werkelijkheid. Religie en wetenschap zijn niet meer één, maar zijn (bijna) onverenigbaar gescheiden.

Dit is nu nog steeds zo. Je kunt het ook dramatischer zeggen, de mens wordt uit de geestelijke inhoud van wereld geworpen en moet leren helemaal in zijn ik te leven. Dat is ook nodig, de mens moet vanuit zijn eigen logica gaan leren denken, want vandaaruit kan hij in alle vrijheid zichzelf bewust zo ontwikkelen dat hij de verbinding met de geestelijke wereld kan leggen. Christus staat hem hierin bij, ook al is de mens zich dat niet bewust.

XII. Het vijfde offer

De Nathaanse ziel draagt nu het hele bewustzijn over de menswording en de dood en opstanding van Christus in zich. Dit heeft hij als Christusontvanger zelf allemaal doorgemaakt. Christus heeft zich, sinds het Mysterie van Golgotha, zo met de aarde verbonden, dat Hij de Geest van de aarde is. Hij kan zich zelf zichtbaar maken in de omhulling die de Nathaanse ziel Hem aanbiedt.

De eerste die Christus zo heeft waargenomen is Paulus voor de poorten van Damascus (Hand. 9.1-30). Sommige ingewijden en mystici konden de opgestane Christus in de eerste tien eeuwen nog schouwen, maar aan het eind van de middeleeuwen wordt dat steeds moeilijker. Men probeert eerst nog het bestaan van God te bewijzen, maar al gauw begint de zintuiglijk waarneembare wereld de mens steeds meer te fascineren. Allerlei wetmatigheden worden ontdekt en uit die ontdekkingen ontstaat een wereldbeeld, dat gericht is op de materie en God raakt steeds verder op de achtergrond. Het zelf scheppen vanuit en met de materie schijnt de toekomst te hebben.

Deze fascinatie brengt de mens naar de wetten van oorzaak en gevolg, naar inzicht in de materiele omringende wereld, naar logica enz. Hij begint te denken dat de mens de aarde kan beheersen en naar zijn eigen hand zetten. In Europa raakt God op de achtergrond of wordt in strenge kerkregels gevangen, waarover je kunt twisten. Dit alles heeft als resultaat dat de mens zelf steeds meer gaat nadenken en daardoor steeds meer zelfbewustzijn opbouwt. Stapje voor stapje begint men ook buiten de groep of bloedsbanden de medemens te zien en te waarderen. Maar de stapjes zijn nog heel klein. De mens kan deze individuele ontwikkelingsweg gaan, met al die persoonlijke ontdekkingen, omdat wij sinds het Mysterie van Golgotha de christuskracht in ons dragen. Deze kracht geeft ons het vermogen om in alle vrijheid steeds het midden te zoeken en uiteindelijk te (kunnen) vinden. Hierdoor zorgt zij ervoor dat ons ik overeind kan blijven, ondanks het verlies van de verbinding met de geestelijke wereld. Zij draagt ons als het ware door de tijd van ’geesteloosheid’ heen.

Maar dit loskomen van ’God’ heeft ook gevolgen voor de geestelijke wereld, vooral voor die geestelijke sfeer van de aarde, die aangrenst aan de zintuiglijk waarneembare wereld. Na het Mysterie van Golgotha is de Nathaanse ziel in deze sfeer, dus vlakbij de mens. Hij droeg het hele bewustzijn over het mysterie van Christus in zich, hij was het oerbeeld geworden van hoe de mens zich kan om werken (vergeestelijken) en tevens in alle vrijheid de ware liefde kan ontwikkelen. Maar wat gebeurde er toen de mens gefascineerd raakte door de natuurwetenschappen? Wat gebeurde er in die sfeer waar hij is?

Vanaf de 16de eeuw nemen de gestorvenen die door de poort van de dood gaan de zaden van de materialistische en agnostische ideeën mee naar de geestelijke wereld. En deze zaden veroorzaakten een soort zwarte wolk, die het bewustzijn van de Nathaanse ziel steeds meer gaan omwalmen. Deze niet-spirituele zwarte walm gaat zo verstikkend werken op het bewustzijn van de Nathaanse ziel, dat hij het door een soort verstikking kwijt raakt. Steiner noemt deze gebeurtenis dan ook de tweede kruisiging van Christus, deze keer niet op aarde, maar in de etherwereld (GA 152). En nu komen wij bij het vijfde offer of geschenk.

Dit verstikken of ’oplossen’ van het bewustzijn van de Nathaanse ziel hield in dat het ’spirituele’ geen kans van bestaan meer had, laat staan dat de mens de komst van Christus zou kunnen begrijpen. Sinds het Mysterie van Golgotha heeft Christus zich verbonden met de aarde en is de Geest van de aarde geworden. Hij is en blijft bij de mensen. Hij begeleidt de mens met in achtneming van zijn vrijheid. Het ontstane probleem kon de mensheid niet zelf oplossen, daarom hielp Christus. Hij nam deze verduisterende walm zo in zich op en doordrong het duistere met Zijn Licht. Hierdoor zorgt Hij ervoor dat het ’bewustzijn over Christus’ niet meer buiten de mens gezocht moet worden, maar dat dit bewustzijn nu in de menszelf te vinden is. Steiner noemt dat de opstanding van het Christusbewustzijn in de zielen van de mensheid tussen de geboorten de dood (GA 152). Dit vijfde offer vindt plaats in de 19de eeuw en de werking daarvan was in de 20ste eeuw al waarneembaar en zal steeds sterker gaan werken.

De mens zoekt steeds sterker naar een eigen individuele verhouding tot Christus of God. Dit komt ook tot uiting in het zoeken naar de juiste verhouding tot je medemens. In elk medemens
leeft een goddelijke kern, in elk mens leeft Christus, Steiner voorspelt dat de mensenziel het leven van Christus steeds meer als directe persoonlijke belevenissen zal gaan ervaren. De daad van Christus op Golgotha en de betekenis daarvan voor de mensheid zal steeds meer onderkend worden. Het gaat hier niet om een nieuwe leer, die Christus gebracht zou hebben, maar om de ’wereldomvattende daad’.

Door het Mysterie van Golgotha, zijn wij mensen in staat werkelijk vrij te worden en vanuit die vrijheid ware Liefde te ontwikkelen en de verbinding met de geestelijke wereld op een bewuste helderziende manier weer te herstellen.
Christus zal steeds naast ons staan en ons helpen bij moeilijkheden die voor ons mensen niet op te lossen zijn. De mens zal leren Hem te bevragen en gaande weg zullen steeds meer mensen Christus in zijn etherische gestalte kunnen waarnemen doordat zij bewust helderziende vermogens ontwikkeld hebben.

In de vóórchristelijke tijd (en dat ging nog lang door) werd de geestelijke wereld (of God) als leidinggevende macht ervaren, met regels en wetten die van buitenaf opgelegd werden. Nu is het de bedoeling dat wij, gebruikmakend van de krachten en mogelijkheden die Christus ieder mens individueel geeft, ons van binnenuit zo te ontwikkelen dat wij broeders van Christus worden, dus broeders van alle mensen. Daar zijn wij nog heel veel levens mee bezig. De engelen zongen volgens het Lucas evangelie: Vrede op aarde voor de mensen van goede wille.

En daar zal het op aankomen: ’zijn wij van goede wille?’

Literatuur

  • R. Steiner: Vorstufen zum Mysterium von Golgatha.
  • S.O. Prokofieff: Der Jahreskreislauf als Einweihungsweg zum Erleben der Christus-Wesenheit (Eine esoterische Betrachtung der Jahresfeste)

uit het boekje De kracht die ons door het jaar heen draagt

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista